Scientific relevance & de H-factor

De H-factor is een belangrijke maat voor aantallen citaties. In de nieuwsbrief van de medische bibliotheek van de VU vind je er meer informatie over, evenals op Wikipedia.

Een tijdje geleden woedde er op de CCZ-L lijst een heftige discussie over. Moet een informatieprofessional van een klein algemeen ziekenhuis of GGZ-instelling dit soort berekeningen ook al gaan uitvoeren, of is het meer iets voor academische instellingen? Los hiervan, moet je echter ook kunnen beschikken over WoS (voor onze instelling te duur), maar veel beter nog is een abonnement op Scopus. Want wat bleek? Ineke Overtoom van het OLVG meldde:

  1. Scopus is volkomen vergelijkbaar met Web of Science maar veel groter en preciezer: het zoekt in 15.000 bladen,dat is dus veel meer dan Web of Science.
  2. Scopus is heel actief bij het vinden van de juiste auteursnamen. Wanneer je begint te zoeken kun je eerst door af- en aanvinken aangeven welke van de vele varianten van jouw eigen naam metvoorletters meegeteld moeten worden, een stapje verder kun je nog eentweede correctie hierop uitvoeren. Als dan de 'echte' auteur bekend is,gaat Scopus zoeken naar alle artikelen en citaties daarop en rekent ookonmiddellijk de H-factor uit. Je hoeft dus zelf helemaal niets meer tedoen.

Daarop plaatste Suzanne Bakker een aantal voetnoten:

1. Scopus-gegevens zijn niet volledig t.a.v. de publicaties van vóór 1997.Zeker de citaties zijn niet allemaal meegeteld. Dat kan de h-index behoorlijk beïnvloeden. Ik heb voorbeelden van stafleden van het NKI-AVL waar het een zeer groot verschil maakt.

2. Er zijn nog altijd publicaties waar niet alle auteursnamen bij vermeld staan; multicenter trials en publicaties namens commissies/werkgroepen e.d. hebben de namen van de mede-auteurs nog al eens in een acknowledgement staan in plaats van in het auteursveld. Ik heb voorbeelden van publicaties van mijn stafleden die zeer veel geciteerd worden en die niet op de auteursnaam gevonden kunnen worden. Ook dat scheelt dan "punten".

3. De h-index kan eenvoudig uitgerekend worden op basis van een cited reference search in de SCI bij DIMDI. Als je tenminste de gegevens van de publicaties van de betreffende auteur compleet hebt (bij voorkeur in een database zoals RM of EndNote).

4. Wetenschappelijke kwaliteit van publicaties is niet uit te drukken in een cijfer. Het aantal citaties is een maat die misbruikt wordt om dit toch te doen.

5. De hoogte van het aantal citaties hangt af van het vakgebied, en van de aard van de publicatie (methoden en technieken worden veel vaker geciteerd dan andere publicaties). Ook de grootte van het instituut van de auteur heeft invloed op de aantallen citaties die publicaties ontvangen.

6. De auteursnamen in Scopus zijn nog lang niet allemaal geschoond en op juiste wijze gekoppeld. Adresgegevens worden gebruikt om auteurs met dezelfde namen te onderscheiden, maar wie op verschillende laboratoria heeft gewerkt of samenwerkt met diverse onderzoeksgroepen, wordt nog niet als één en dezelfde persoon herkend.
Ook is er nog veel te doen om alle varianten van voornamen en (aantallen) voorletters bijeen te brengen. Dit geldt overigens ook voor Web of Science gegevens.

7. Er wordt hierbij geen verschil gemaakt tussen eerste / laatste of andere mede-auteursschappen en - verantwoordelijkheden.

8. Het wel of niet meetellen van zelfcitaties beïnvloedt het "cijfer".

9. Er wordt door subsidiegevers en bestuurders steeds vaker gevraagd naar citatiegegevens. Of deze op de juiste wijze geinterpreteerd worden, valt te betwijfelen. Citatie- en/of impact-cijfers zijn geen absolute maten. Beoordeling van wetenschappelijke prestaties in kwalitatieve en kwantitative zin is een uiterst complexe zaak.

De UvA doet momenteel een onderzoek naar WoS versus SCOPUS, wederom uitbesteed aan Pleiade, waar al weer over geblogd wordt.
Wordt vervolgd dus.

 

 

Reacties

Er valt heel veel af te dingen op een en ander. Maar ik wil graag even op stelling 4 reageren. In de meeste citatie analyses wordt ook gesproken over een citaties als een "proxy" voor de kwaliteit. Er ligt een aardig theoretisch fundament onder het gebruik van citaties als proxy voor de kwaliteit. Misschien volstaat hier met het verwijzen naar hoofdstuk 15 in Moed (2005) ISBN 9781402037139.
Overigens volstaat Scopus uitstekend wanneer je geïnteresseerd bent in de recent past performance. Zeg de laatste 10 jaar onderzoeksimpact van een onderzoeker of een onderzoeksgroep. De h-index in de klassieke zin, als een life time performance measure, geeft in Scopus inderdaad problemen.
Als laatste wil ik opmerken dat ik met lede ogen aanzie dat veel subsidiegevers vaak alleen interesse hebben in de Impact Factoren van tijdschriften waarin gepubliceerd is als maat voor de kwaliteit. Dat is een nog kwalijker zaak dan kijken naar de daadwerkelijke artikel impact. Lees Seglen (1997) BMJ, http://www.bmj.com/cgi/content/full/314/7079/497 daar maar eens op na.

Reageren

Naam   E-mail Mijn url
Voer onderstaande code hiernaast in:
7bfbeb
Onthoud mijn gegevens!

View My Stats