Vakantie en retraite

Vanaf vandaag ben ik drie weken met vakantie. Na de vakantie komt de werkgroep 'kennis delen" bij elkaar, o.a . om ons te beraden hoe verder? Een aantal actieve loggers zijn gestart met een eigen weblog, de CCZ heeft een eigen CCZonline platform en ook de BPZ heeft een eigen x-refsite aangemaakt. De clinlib-lijst is ook actief en zo gaat de versnippering en verspreiding steeds verder.
Misschien is het zinvol om voor al deze initiatieven een eigen Netvibes-pagina aan te maken. Dymphie attendeerde me al op Google Sites maar die valt dus tegen volgens haar.
Voor de thuisblijvers heb ik nog een leuke tip. Kijk eens naar de weblog Computertips (wel voor senioren, maar laat je niet weerhouden) en ga lekker met je laptop buiten in de tuin zitten na deze tip te hebben opgevolgd.
Wordt vervolgd.

Bibliotheekcollectie LEVV ondergebracht bij UMC Utrecht

Ik heb me nu maar aangemeld voor de Nieuwsbrief van het LEVV, want dit bericht van 24 maart 2008 was me ontgaan:

Per 24 maart 2008 heeft het LEVV zijn collectie verpleegkundige boeken overgedragen aan de medische bibliotheek van de Universiteit Utrecht, gevestigd in het UMC Utrecht.

Voor het lenen van boeken en het raadplegen van tijdschriftartikelen verwijzen wij naar de medische bibliotheek van de Universiteit Utrecht. Informatie over de uitleenvoorwaarden en tarieven vindt u op www.library.uu.nl/mbu.

De overige dienstverlening van het Informatiecentrum is gehandhaafd via deze website, bijvoorbeeld de mogelijkheid om een abonnement te nemen op de NAZ database die een overzicht van tijdschriftartikelen biedt.

Uiteraard kunt u bij de LEVV-Helpdesk nog altijd terecht met vragen over zaken als wetgeving, rechtspositie, richtlijnen, protocollen, verpleegproblemen, ziektebeelden of literatuurlijsten.

Verder biedt de website van het LEVV volop informatie, bijvoorbeeld via de databanken Onderzoek, Richtlijnen en Tuchtrecht, en via de congresagenda of de pagina veelgestelde vragen. Intussen wordt, in aansluiting op de nieuwe ontwikkelingen op informatiegebied, gewerkt aan verdere digitalisering van de informatievoorziening.

De opheffing van de boeken- en tijdschriftencollectie heeft te maken met de subidsiekortingen waar ook de paramedische bibliotheek door getroffen is.
Er volgt nog bericht wanneer deze collectie bij het UMC beschikbaar komt. Het UMC was als enige bibliotheek bereid deze collectie in zijn geheel over te nemen.

 

 

Scientific relevance & de H-factor

De H-factor is een belangrijke maat voor aantallen citaties. In de nieuwsbrief van de medische bibliotheek van de VU vind je er meer informatie over, evenals op Wikipedia.

Een tijdje geleden woedde er op de CCZ-L lijst een heftige discussie over. Moet een informatieprofessional van een klein algemeen ziekenhuis of GGZ-instelling dit soort berekeningen ook al gaan uitvoeren, of is het meer iets voor academische instellingen? Los hiervan, moet je echter ook kunnen beschikken over WoS (voor onze instelling te duur), maar veel beter nog is een abonnement op Scopus. Want wat bleek? Ineke Overtoom van het OLVG meldde:

  1. Scopus is volkomen vergelijkbaar met Web of Science maar veel groter en preciezer: het zoekt in 15.000 bladen,dat is dus veel meer dan Web of Science.
  2. Scopus is heel actief bij het vinden van de juiste auteursnamen. Wanneer je begint te zoeken kun je eerst door af- en aanvinken aangeven welke van de vele varianten van jouw eigen naam metvoorletters meegeteld moeten worden, een stapje verder kun je nog eentweede correctie hierop uitvoeren. Als dan de 'echte' auteur bekend is,gaat Scopus zoeken naar alle artikelen en citaties daarop en rekent ookonmiddellijk de H-factor uit. Je hoeft dus zelf helemaal niets meer tedoen.

Daarop plaatste Suzanne Bakker een aantal voetnoten:

1. Scopus-gegevens zijn niet volledig t.a.v. de publicaties van vóór 1997.Zeker de citaties zijn niet allemaal meegeteld. Dat kan de h-index behoorlijk beïnvloeden. Ik heb voorbeelden van stafleden van het NKI-AVL waar het een zeer groot verschil maakt.

2. Er zijn nog altijd publicaties waar niet alle auteursnamen bij vermeld staan; multicenter trials en publicaties namens commissies/werkgroepen e.d. hebben de namen van de mede-auteurs nog al eens in een acknowledgement staan in plaats van in het auteursveld. Ik heb voorbeelden van publicaties van mijn stafleden die zeer veel geciteerd worden en die niet op de auteursnaam gevonden kunnen worden. Ook dat scheelt dan "punten".

3. De h-index kan eenvoudig uitgerekend worden op basis van een cited reference search in de SCI bij DIMDI. Als je tenminste de gegevens van de publicaties van de betreffende auteur compleet hebt (bij voorkeur in een database zoals RM of EndNote).

4. Wetenschappelijke kwaliteit van publicaties is niet uit te drukken in een cijfer. Het aantal citaties is een maat die misbruikt wordt om dit toch te doen.

5. De hoogte van het aantal citaties hangt af van het vakgebied, en van de aard van de publicatie (methoden en technieken worden veel vaker geciteerd dan andere publicaties). Ook de grootte van het instituut van de auteur heeft invloed op de aantallen citaties die publicaties ontvangen.

6. De auteursnamen in Scopus zijn nog lang niet allemaal geschoond en op juiste wijze gekoppeld. Adresgegevens worden gebruikt om auteurs met dezelfde namen te onderscheiden, maar wie op verschillende laboratoria heeft gewerkt of samenwerkt met diverse onderzoeksgroepen, wordt nog niet als één en dezelfde persoon herkend.
Ook is er nog veel te doen om alle varianten van voornamen en (aantallen) voorletters bijeen te brengen. Dit geldt overigens ook voor Web of Science gegevens.

7. Er wordt hierbij geen verschil gemaakt tussen eerste / laatste of andere mede-auteursschappen en - verantwoordelijkheden.

8. Het wel of niet meetellen van zelfcitaties beïnvloedt het "cijfer".

9. Er wordt door subsidiegevers en bestuurders steeds vaker gevraagd naar citatiegegevens. Of deze op de juiste wijze geinterpreteerd worden, valt te betwijfelen. Citatie- en/of impact-cijfers zijn geen absolute maten. Beoordeling van wetenschappelijke prestaties in kwalitatieve en kwantitative zin is een uiterst complexe zaak.

De UvA doet momenteel een onderzoek naar WoS versus SCOPUS, wederom uitbesteed aan Pleiade, waar al weer over geblogd wordt.
Wordt vervolgd dus.

 

 

EAHIL 2008 Helsinki

Ben er zelf niet geweest, maar volgens de blog van Ronald waren op de EAHIL conferentie 2008 (23-28 juni) veel Nederlandse deelnemers. Misschien dat die hierover verslag willen doen. Van Godelieve kreeg ik de Netvibes pagina door:  
"Varieert van volledige opnames van lezingen, tot heeeel veelfoto's, blogs over lezingen, powerpoints, etc etc ben je wel een zomeravondje of wat zoet mee ...;-"
En natuurlijk was er ook een eigen EAHIL blog.
Lezingen en posters kun je hier bekijken en downloaden.
Onze Nederlandse collega's Suzanne Bakker en Dieuwke Brand-De Heer kregen de prijs voor de beste lezing, getiteld: Embase dot com: strength and weaknesses; a comparison. (Bekijk ook de diapresentatie of slide) Het is inderdaad een indrukwekkende prestatie. Al eerder is geprobeerd om de verschillen tussen Embase en Pubmed/Medline in kaart te brengen, bijvoorbeeld door te kijken welke tijdschriften in welke databanken aanwezig waren (of daar juist ontbraken), maar het bleef bij wat pogingen.
In kaart gebracht zijn nu de verschillen omtrent het vinden van de corporaties van de auteurs als je bijvoorbeeld een publicatielijst op wilt stellen van de eigen medewerkers. Embase.com (EC) is dan weer afgezet tegen Embase/OVID (EO) en Pubmed (PM) weer tegenover Medline/OVID(MO). In Pubmed vind je alleen het adres van de eerste auteur en dat maakt het opstellen van zo'n lijst lastig. Embase/Ovid (EO) was daarvoor het meest geschikt.
Verder is onderzocht in hoeverre de meest recente edities van bepaalde tijdschriften in deze databanken te vinden waren en is een eerste opzet gedaan voor een vergelijking op onderwerp.
De publicaties en posters van alle prijswinaars komen in het EAHIL-nummer van augustus.

  


View My Stats